Het werkwoord zijn is een onregelmatig werkwoord en heeft daarom een andere vervoeging. De meeste werkwoorden krijgen in de tegenwoordige tijd voor de derde persoon enkelvoud een t aan het eind zoals bijvoorbeeld bij “hij loopt”. Echter, de werkwoorden zijn, kunnen, willen, zullen en mogen zijn hierop uitzonderingen.
Het werkwoord zijn is eigenlijk een heel apart geval. Zo zijn bijvoorbeeld de eerste, tweede en derde persoon onvoltooid tegenwoordige tijd respectievelijk ben, bent en is. Het lijkt hier alsof er een heel ander woord wordt gebruikt, maar het is wel degelijk een vervoeging van het werkwoord zijn.
Hij zijnt, hij zijn? Hij is!
Zoals ik in mijn artikel “Hij wilt of hij wil?” reeds aankaartte wordt het eveneens onregelmatig werkwoord willen tegenwoordig vaak foutief als een regelmatig werkwoord vervoegd. Hierdoor hoor en lees je vaak hij wilt in plaats van hij wil. Vanwege de duidelijke afwijking van het onregelmatig werkwoord zijn is dat hier nog niet het geval.
Werkwoord zijn
Onvoltooid tegenwoordige tijd
ik ben
jij bent
hij is
wij zijn
jullie zijn
zij zijn
Voltooid tegenwoordige tijd
ik ben geweest
jij bent geweest
hij is geweest
wij zijn geweest
jullie zijn geweest
zij zijn geweest
Onvoltooid verleden tijd
ik was
jij was
hij was
wij waren
jullie waren
zij waren
Voltooid verleden tijd
ik was geweest
jij was geweest
hij was geweest
wij waren geweest
jullie waren geweest
zij waren geweest
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd
ik zal zijn
jij zult zijn
hij zal zijn
wij zullen zijn
jullie zullen zijn
zij zullen zijn
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd
ik zal geweest zijn
jij zult geweest zijn
hij zal geweest zijn
wij zullen geweest zijn
jullie zullen geweest zijn
zij zullen geweest zijn
Onvoltooid verleden toekomende tijd
ik zou zijn
jij zou zijn
hij zou zijn
wij zouden zijn
jullie zouden zijn
zij zouden zijn
Voltooid verleden toekomende tijd
ik zou geweest zijn
jij zou geweest zijn
hij zou geweest zijn
wij zouden geweest zijn
jullie zouden geweest zijn
zij zouden geweest zijn