Hier vind je de vervoegingen van veel voorkomende werkwoorden. Deze lijst is niet compleet en wordt regelmatig uitgebreid.

Wat zijn werkwoorden?

Een werkwoord is een woord dat een activiteit beschrijft. Dat kunnen herkenbare activiteiten zijn zoals lopen, rennen, fietsen, varen, rijden, eten, drinken enzovoort. Maar het kan ook iets zijn dat je misschien niet direct als activiteit herkent maar wel degelijk een activiteit is. Enkele voorbeelden daarvan zijn zitten, liggen, luisteren, denken, mediteren, vinden, willen, hopen enzovoort. Kortom, het duid iets aan dat je kunt doen!

Het regelmatige werkwoord

Werkwoorden kunnen we opdelen in twee categorieën, regelmatige- en onregelmatige werkwoorden. Het regelmatige werkwoord eindigt in de onvoltooid verleden tijd altijd op -de(n) of -te(n), en het voltooid deelwoord eindigt altijd op -d of -t. Welke van deze twee vormen moet worden gebruikt hangt af van de laatste letter van de stam (‘t Kofschip). Voorbeelden van regelmatige werkwoorden zijn gaan, rijden, haten, houden en ergeren. Veruit de meeste werkwoorden zijn regelmatig.

Het onregelmatige werkwoord

Zoals gebruikelijk in de Nederlandse taal zijn er weer een aantal uitzonderingen. Deze worden onregelmatig genoemd omdat er geen vast patroon is om deze te vervoegen.

Een werkwoord is onregelmatig als het aan één of meer van deze drie regels voldoet:

  • Het eindigt in de onvoltooid verleden tijd niet altijd op de(n) of te(n).
  • Het voltooid deelwoord eindigt niet altijd op d of t.
  • Het heeft niet altijd dezelfde werkwoordstam.

Voorbeelden van onregelmatige werkwoorden zijn willen, kunnen, zijn, zullen en mogen.

Een tegenwoordig veel voorkomende fout is het onjuist vervoegen van het onregelmatig werkwoord willen. Hierdoor hoor en lees je regelmatig zinnen met daarin “hij wilt”, “zij wilt” of “wie wilt” (Zie ook mijn artikel “Hij wilt of hij wil?“.

werkwoorden vervoegen

Werkwoorden vervoegen